Er was eens een tuinman. Hij woonde in een klein huis met een grote tuin. Omdat hij een tuinman was, had hij een grote tuin. Hij was altijd bezig in de tuin. Zijn tuin stond vol met bloemen in alle kleuren. Tulpen, zonnebloemen, rozen en lelies. Elke dag werkte de tuinman in de tuin. Hij gaf de bloemen water. Hij zorgde voor genoeg zon en voor goede aarde. Ook sprak hij lieve woorden tegen de bloemen. Zo groeiden de bloemen nog mooier! Op een dag zag hij één roos die niet zo mooi was als de rest. Hij was kleiner, minder rood en hij hing met zijn kop naar beneden. Hoe kan dit toch? Dacht de tuinman. Ik geef alle bloemen hetzelfde water. Ze hebben ook allemaal dezelfde zon en dezelfde aarde. En ze horen ook allemaal dezelfde lieve woorden. Maar daar had hij het mis. De roos was namelijk doof en kon de lieve woorden niet horen. En zonder lieve woorden kon hij ook niet zo mooi groeien. Gelukkig kreeg de tuinman een idee. Voor de dove roos schreef hij elke dag een briefje. Je bent zo mooi. Je bent prachtig. Je ruikt heerlijk. Ik zie je graag. De roos werd weer mooi en de hele tuin was weer blij.
Vocabulary list:
- de tuinman (the gardener)
- bezig (occupied/busy)
- de bloemen (the flowers)
- de tulpen (tulips)
- de zonnebloemen (the sunflowers)
- de rozen (the roses)
- de lelies (the lilies)
- de aarde (the soil/earth)
- lief/lieve (sweet/lovely)
- de kop (the head)
- naar beneden (downwards)
- “het mis hebben” ("to have it wrong"/to be mistaken)
- doof/dove(deaf)
- het briefje (the little note)
- weer (again)
Verbs:
- geven (gaf/gaven) (to give)
- spreken (sprak/spraken) (to speak)
- groeien(groeide(n)) (to grow)
- hangen (hing/hingen) (to hang)
- schrijven (schreef/schreven) (to write)
- ruiken (rook/roken) (to smell)