#3 Het gras was groener bij de buren

In een klein dorpje aan de rand van het bos woonde een man en een vrouw. Ze hadden een mooi huis en een mooie tuin. De tuin was simpel met alleen veel gras. Het gras was super groen. Ze hadden ook buren, aan één kant. Zij hadden ook een mooi huis en een mooie tuin. Hun tuin was ook simpel met alleen veel gras. En ook hun gras was super groen. De man keek soms over de heg naar de tuin van zijn buren. Dan kwam zijn buurman ook bij de heg staan. Samen vergeleken ze het gras. Welk gras was nou groener? Ze waren het nooit met elkaar eens. Ze vonden allebei dat het gras van de ander groener was. Het was een lange discussie. Dan kwamen beide buurvrouwen naar buiten om hun mannen te halen. Nu is het genoeg. Het maakt niet uit welk gras groener is. Tot ziens buurman! Tot ziens buurvrouw!

Vocabulary list:
- het dorpje (the village)
- de rand (the edge)
- het bos (the forest)
- de tuin (the garden)
- alleen (here: only; also: alone)
- het gras (the grass)
- de buren (the neighbours)
- de kant (the side)
- de heg (the hedge)
- allebei (both/each)
- genoeg (enough)

Verbs:
- kijken (keek/keken) (to look)
- komen (kwam/kwamen) (to come)
- vergelijken (vergeleek/vergeleken) (to compare)
- zijn (was/waren) (to be)
- “het met elkaar eens zijn” (to agree with each other)
- halen (to get/pick up)
- “het maakt niet uit” (it doesn’t matter)


Follow & listen on Spotify